2014-11-28

Dialoog #2

De tweede openbare bijeenkomst van het Lectoraat Future Urban Regions (FUR) wordt op 2 juli in Tilburg georganiseerd. In het Deprez gebouw in de Tilburgse Spoorzone leidt moderator Ruben Maes wederom de presentaties en discussie. Het programma voorziet in een aantal aandachtspunten: de lopende zaken van en rond FUR, verschillende pitches en reacties op ontwerpend onderzoek van de FUR-studio’s, het bespreken van aantal basale vragen die de kern van het lectoraat vormen. Tevens zijn Peter Mensinga (ARUP) en Tjerk Ruimschotel (supervisor stedenbouw gemeente Groningen en voorzitter BNSP) gevraagd respectievelijk een lezing over de eigen ontwerppraktijk en een reflectie op ontwerpend onderzoek en FUR te geven.

Stand

Lector Eric Frijters bijt het spits af met een update en overzicht van de ontwikkelingen van FUR tot nu toe. Daarbij komend de nieuwe website en de (her-)introductie van betrokken docenten en de verschillende directeuren van de academies bouwkunst eveneens aan de orde. Frijters benadrukt dat het staande programma van FUR onverminderd intact blijft, alsmede het thema: gezonde verstedelijking. Het lectoraat heeft dus een thema, maar nadrukkelijk ook een ambitie. Die is om een beter begrip van en voor (de verwachtingen van) ontwerpend onderzoek te verkrijgen, met name aan de kant van opdrachtgevers. Verder wil het lectoraat aan studenten aan de academies aan de hand van praktijkvoorbeeld laten zien wat ontwerpend onderzoek is.

Reacties

Uit een korte rondvraag onder de aanwezigen blijkt dat er voor het lectoraat, het geformuleerde thema en de andere ambities nog veel te winnen is. Op basis van de ontwikkelingen en activiteiten van het lectoraat tot dit moment kan wel geconstateerd worden dat het lectoraat in zijn huidige vorm en opzet goed en duidelijk is neergezet. Het proces en de resultaten van het lectoraat moeten echter nog wel meer groeien in omvang en relevantie. Het leereffect voor de betrokken gemeenten is ook zichtbaar, zij het dat ontwerpend onderzoek nog wel te weinig vanzelfsprekend is bij opdrachtgevers. In het algemeen moeten de voortgang en de bereikte resultaten van FUR nog wel duidelijker en vaker voor het voetlicht en in de publiciteit worden gebracht. De beoogde nieuwe website kan hier aan bijdragen. Verder bieden de vergelijkingen tussen de academies (en de zes regio’s), naar nu steeds meer blijkt, nieuwe en voorheen onvermoede kansen en reflectie. Ook van de dit jaar op te starten FUR-dialoog wordt in dit opzicht wat verwacht. De gedachte achter deze dialoog is dat het een aanvullende mogelijkheid biedt om betrokkenen bij het lectoraat, alsook andere personen waarvan vermoed wordt dat ze waardevolle kennis en visie hebben, een inhoudelijke bijdrage aan het lectoraat te leveren. Een bijdrage die onderbouwd en zorgvuldig geformuleerd is en betrekking heeft op de materie of de voortgang van het lectoraat. De briefvorm laat ruimte voor variatie in lengte van de tekst, alsook voor de gekozen toon. Die kan zowel positief, kritisch, bevestigend of kritisch zijn. Vanuit het lectoraat is een duidelijke behoefte aan deze dialoog. Het biedt namelijk een mogelijkheid tot een intieme en directe reflectie en bespiegeling waar, bijvoorbeeld, bij de publieke- en andere bijeenkomsten van het lectoraat minder gelegenheid toe is. Tenslotte zal vanaf september een klankbordgroep voor het lectoraat actief worden. Deze groep zal zich vooral richten op de aansluiting van het onderzoek bij het staande academieonderwijs.

Doordenken

De bijeenkomst wordt ook gebruikt om pitches van studio’s bij de academies van Groningen, Maastricht en Eindhoven te presenteren. Caro van de Venne (onderzoeker FUR AAS) begint met de pitch van Eindhoven 2050. Bij dit project is samen gewerkt met het lectoraat stedelijke strategieën en was een koppeling gemaakt met een masterclass van internationale deskundigen. De verslaglegging is grotendeels vervat in een korte film. Belangrijk is op te merken dat de samenwerking met de gemeente een goede basis had omdat daar veel belangstelling voor co-creatie bestaat. Dit maakte FUR direct een interessant traject. Het onderzoek gaat over de vraag hoe in de periode 2014 tot 2050 vormgegeven kan worden aan een duurzame toekomst voor de stad Eindhoven. Uitgangspunt is het feit dat de stad zichzelf opnieuw aan het uitvinden is (wil) na het vertrek van multinational Phillips. Daarbij is het belangrijk om los te komen van gangbare denkpatronen. Het vooruitkijken naar mogelijk ontwikkelpatronen en mogelijkheden is tevens een nuttig middel om los te komen uit/van de gevestigde orde. Eindhoven, zo blijkt uit meerdere bronnen, maakt op dit moment daadwerkelijk een transformatie mee. Daarbij trekt vooral de ruimtelijke impact van technologische bedrijvigheid en ontwikkeling de aandacht. Die actualiteit is een belangrijk en waardevol signaal. Het bewustzijn daarvan helpt namelijk om een mogelijk vaag toekomstperspectief terug te halen naar het heden en ook om het te concretiseren. Anderzijds, zo wordt opgemerkt, is het lastig gebleken om het visionaire aspect van Eindhoven 2050 helder te houden. Vragen over ‘wie & hoe’ blijven daardoor vaak achterwege. Mogelijk dat er in dit verband echter ook sprake is van een nieuwe manier van vragen die minder concreet (dan we gewend zijn) is. Daarnaast blijkt in deze praktijk dat het partijen (opdrachtgevers) vaak niet of met moeite lukt om met nieuwe vragen te komen. Ontwerpers moeten in dit verband (ontwerpend onderzoek) dus mogelijk ook leren om te helpen bij het juist formuleren van een vraag. Daarmee kunnen dan vervolgens ook de juiste (nieuwe ) partners gevonden en allianties gevormd worden. Een andere geconstateerd ‘manco’ bij planvorming is dat er vaak sprake is van een te grote mate van kortzichtigheid. Er is te weinig aandacht en durf voor het denken in lange lijnen en termijnen. Die houding komt deels ook voort uit recente crises die zeker ook tot een bepaalde mate van voorzichtigheid hebben geleid. Die houding of attitude komt veel (vooral visionaire) projecten niet ten goede. Een uitweg uit of oplossing voor deze (dreigende) impasse en voorzichtigheid is het bedenken van scenario’s waar bestuurders/opdrachtgevers op kunnen vertrouwen. De betrouwbaarheid kan zitten in het bieden van ruimte voor oplossingen in plaats van het aandragen van vastomlijnde oplossingen. Het bieden van ruimte en dus opties is meer in harmonie met de (structurele) onvoorspelbaarheid van de toekomst. Het is een kwestie van (vaak kleinschalig) doordenken in plaats van (grootschalig) vooruit werken. Dit vraagt wel een bescheidener en zorgvuldiger opstelling en houding van ontwerpers. Het is allemaal niet direct meeslepend en groots, echter des te doeltreffender.

Transities

Het onderzoek door de Academie in Groningen gaat over de zowel mondiale en regionale problematiek van schone energieproductie. Interessant aan het onderzoek is dat de studenten veel kennis over de materie hebben opgedaan en in betrekkelijk korte tijd ook zijn gekomen met valide oplossingen en scenario’s. Kenmerkend voor de materie is dat sommige innovaties en ontwikkelingen op dit terrein soms veel sneller gaan dan veel politiek beleid vorm krijgt. Die snelheid is goed, maar kan ook zorgen dat de plannen ‘op de troepen vooruit lopen’. Daarom is het goed dat ontwerpers, maar dus ook de overheid, inzien dat een juiste ontwikkeling aansluiting houdt bij de mogelijkheden én tegelijk de bakens blijven verzetten. De inzet en mobilisatie van (lokale) gemeenschappen is daarbij zeer behulpzaam, gecombineerd met voldoende communicatie. De overheid moet bij deze ontwikkeling vooral stimuleren en faciliteren en veel minder de rol van projectleider willen vervullen. De studies hebben daarnaast ook overduidelijk aangetoond dat energie en de energietransitie en ruimtelijk probleem en -opgave zijn. Tegelijkertijd is het, zeker met dit type opgaven, duidelijk dat er een verlies van onderzoeksvelden voor ruimtelijke ontwerpers dreigt. Het is daarom van groot belang dat ontwerpers en hun opleidingsinstituten zich goed beraden op het type kennis en specialisatie die relevant is. Het snel en goed (opnieuw) formuleren van ontwerp-opgaven en het zoeken en vinden van een dialoog met mensen (publiek) en andere specialisten essentieel. De transitie van het ontwerpproces gaat sneller en effectiever door de samenwerking met andere kennis(-centra). De opgave in Maastricht is een proeve geweest in het verweven van sociaal-maatschappelijke elementen in de planvorming. Dit wijkt af van de gangbare patronen die de sequentie voorlopig-, definitief ontwerp en uitvoering volgden. Met het zoeken naar nieuwe strategieën ontstaat tegelijkertijd ook de discussie over de (blijvende) betekenis van het vak en de vraag waar de grenzen tussen disciplines en betrokken partijen liggen. De praktijk in Maastricht laat zien dat studenten bij twijfel of uit gemakzucht nog wel makkelijk terugvallen in de oude gewoontes en patronen.

Gezonde verstedelijking

Een deel van de bijeenkomst wordt gewijd aan een discussie over de vraag wat gezonde verstedelijking nu eigenlijk is. De opinies variëren daarbij. Sommigen zien het thema vooral als een kapstok waar verschillende (nu) urgente onderwerpen aan gehangen kunnen worden. Althans, zo lijkt het in de praktijk te functioneren. Het heeft in die betekenis een air van algemeenheid en een ‘prettige’ en comfortabele uitstraling. Zo een waar je eigenlijk niet tegen kunt zijn. Hierdoor dreigt het thema aan scherpte te verliezen. Bovendien impliceert het thema veel dingen. Bijvoorbeeld dat verstedelijking tot nu toe niet gezond was, terwijl credo’s als lucht, licht en ruimte wel degelijk een invloedrijke rol hebben gespeeld bij voorgaande generaties ontwerpers. Een manco is dat hier in het kader van FUR geen (historische) uitspraken over gedaan worden. Het lectoraat richt zich immers vooral op de toekomstige opgeven. Daarnaast is de zoektocht naar gezonde verstedelijking op dit moment nog vooral een exercitie in het beschikbaar krijgen en interpreteren van veel data. Sociale aspecten en invloeden, die eveneens cruciaal zijn, ontbreken vooralsnog in belangrijke mate. Die omissie heeft gedeeltelijk te maken met de complexiteit van de vraag hoe mensen de stad exact gebruiken. Gezonde verstedelijking kan misschien nog het beste worden gezien als een proces van verandering, van aan te passen attitudes. En niet als een van groei, zeker ook niet omdat het lectoraat zich uitsluitend op de Europese steden richt. De bijdrage van Peter Mensinga (ARUP) sluit goed aan bij deze constatering. In zijn praktijk blijkt ook dat de crux vooral ligt in het zoeken van een (nieuwe) balans bij ecosystemen en nieuwe systemen, mede door het kiezen van de juiste ‘drivers of change’. Dit geldt dus ook bij het willen bereiken en verwezenlijken van gezonde steden. Een belangrijke factor bij het kiezen is het aandragen van doorslaggevend bewijs. Daarbij is de definitie van het ‘probleem’ van het eerste belang. De definiëring daarvan wordt bereikt door het afpellen van een opgave totdat een beperkt aantal zaken is blootgelegd die ook echt oplosbaar zijn. Het genoemde bewijs kan echter (wederom) niet uitsluitend een technologisch of technisch karakter hebben. Het uitsluitend zoeken naar data brengt de smart city of welke ander duurzame variant niet direct dichterbij. Het zoeken, vinden, interpreteren en overdragen van het juiste bewijsmateriaal en de (bijpassende) juiste systematiek is een van de kerntaken van Arup op dit gebied, en kan ook een van de doelen van FUR zijn. Het lectoraat mag in dat opzicht niet berusten in het isolement van het eigen werkveld en denkwereld waar veel ontwerpers door gehinderd worden in het adaptief opereren in de gegeven problematiek. In plaats daarvan moeten ontwerpers in toenemende mate de bevrijding ervaren van het vinden van waarden die ertoe doen, van het verkrijgen van inzichten door nieuwe contacten én van het scherp zetten van de opgave en materie. Daarbij speelt ook de invloed van de politiek een belangrijke rol. Zonder die dimensie is willekeurig welk ontwerpend onderzoek gedoemd tot marginaliteit.

Profilering

Deze verandering heeft ook gevolgen voor de profilering en positie van de architect. In plaats van een ontwerper van gebouwen zullen architecten zich moeten gaan ontwikkelen tot generalist. Alleen op die wijze, door aandacht voor en kennis van een breder spectrum, kunnen architecten het verschil maken in een transitieproces. Zij zijn vanuit hun kennis en (nieuwe) vaardigheden in staat om genuanceerd de parels in een proces of ontwerp zichtbaar te maken. Belangrijk bij deze verandering van de waarde en positie van de architect is dat op basis van bereikte resultaten wordt verder ontwikkeld. Succesvolle projecten (referenties) kunnen dus effectief worden ingezet bij het verder en doelmatig verwezenlijken van gezonde verstedelijking. In dit verband wordt gewezen op het succes van de High Line in New York en de invloed die dit project als voorbeeld voor vergroening en transformatie van de stad in het algemeen én als vliegwiel voor andere projecten in New York heeft gespeeld. Concluderend kan gesteld worden dat de bijeenkomst van het Lectoraat Future Urban Regions (FUR) in Tilburg vooral veel toegevoegde informatie en input heeft opgeleverd. Het zal belangrijk zijn om deze verkregen en aangedragen kennis in te zetten en te verspreidende onder de volgende fase(n) van het lectoraat. De volgende bijeenkomst van FUR staat gepland in Arnhem. Daarbij zal dan ook de uitkomst van een nieuwe opzet worden zichtbaar worden. In het eerste semester worden de studio’s grondiger voorbereid waarna ze in het tweede semester daadwerkelijk plaatsvinden. Elke studio bevat een theoretisch (academisch) en een praktisch deel.

beeld

beeld

beeld