2015-05-15

Ontwerpen aan mogelijkheidszin

Opdrachten aan architecten en stedenbouwkundigen zijn vaak ill-formed questions. De vraagstelling is onnauwkeurig en verhult onderliggende problemen. Het ontwerp is, vanwege zijn iteratieve karakter, toekomstgerichtheid, intuïtieve inventiviteit, verbeeldingskracht en onderliggende fuzzy logica , bij uitstek het middel om dergelijke vragen tegemoet te treden. Het vermogen tot ontwerpen is een specifieke menselijke eigenschap die ontwerpers verder verfijnd hebben. Deze vaardigheid ontwikkelen en oefenen vormt de kern van ontwerpopleidingen. Het is dan ook niet vreemd dat wij vanuit de Rotterdamse Academie van Bouwkunst (RAvB) geïnteresseerd zijn in hoe het ontwerpen 'werkt' en welke methodieken eraan ten grondslag liggen.

Ontwerpen als kern

Wij richten ons daarbij niet op de producten van ontwerpers, maar op (de kennis over) de activiteit die ontwerpen heet. Deze heeft een veel bredere reikwijdte dan het produceren van te realiseren ontwerpen alleen. Specifiek zijn we geïnteresseerd in de rol en betekenis van het ontwerp als onderzoeksinstrument. Zowel de verbeeldingskracht die het ontwerpen eigen is, als het vermogen te schakelen tussen abstractie en fysieke werkelijkheid spelen daarbij een belangrijke rol en lijken geheel eigen te zijn aan het ontwerpersbrein.

Ontwerpen is altijd toekomstgericht. Het ontwerp vormt een voorafbeelding van die mogelijke toekomst, vaak in de vorm van een tekening, collage of maquette. Voor het denkproces maakt het weinig uit of het gaat om een gebouw op een nog leeg kavel of strategische interventies in binnenstedelijke ruimten. Ontwerpen geeft de mogelijkheidsgraden van de toekomst weer. Daarmee is de ontwerper onderzoeker van mogelijkheden die nog niet ontvouwen zijn. Het ontwerp als antwoord op een ruimtelijke vraagstelling verbeeldt altijd het nog niet gekende en ontspruit als toekomstperspectief aan de werkelijkheid.

“Ontwerpen is het verbeeldend proces van het denken” Oswald Mathias Ungers

Ontwerpend onderzoek

Er is brede belangstelling voor het vermogen van het ontwerp om mogelijke werkelijkheden te onderzoeken. Het genieten van het onderzoekend potentieel van het ontwerp is binnen de hedendaagse werkelijkheid noodzakelijker dan ooit. Zo stelt de ActieAgenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (AAARO ): “De maatschappelijke rol van de ontwerper vereist deels andere typen vaardigheden. Het is voor de ontwerpdisciplines van belang om snel aansluiting te vinden op de veranderende werkpraktijk.” Daarom is het zaak de ontwerpend onderzoeksvaardigheid in bredere zin in te zetten tijdens ruimtelijke veranderingsprocessen.

Om de kennis over ontwerpend onderzoek te ontginnen, is door de lectoraten Future Urban Regions (FUR) en Sustainable Architecture and Urban Design (SAUD) een gezamenlijk onderzoek langs drie lijnen gestart. Doel is het beschrijven en categoriseren van praktijkgerichte methoden van ontwerpend onderzoek. Daarmee kunnen zowel beide lectoraten en het onderwijs als de beroepspraktijk voorzien worden van adequate instrumenten om toekomstige ontwikkelingen tegemoet te treden.

In het najaar van 2014 zijn ontwerpers die als docent betrokken zijn bij de RAvB middels een veldverkenning ondervraagd. Daarnaast zijn een aantal RAvB-(ontwerpend onderzoeks)ateliers gedissemineerd, om inzicht te krijgen in de gehanteerde methodiek. Parallel daaraan is literatuuronderzoek verricht.

“We can make good use of architecture’s special capacity to envision and organize information. However, it is also important to be clear about what research means for an architect. Architectural research is not disinterested academic inquiry, that is to say, it is not the re-interpretation or critique of existing material. It is rather applied research, investigation, or experimentation directed at the revision of accepted theories and the practical application of revised theories.” Stan Allen

Startpunt

Hoewel 'ontwerpend onderzoek' de meest gebezigde term is voor de inzet van het ontwerp als onderzoeksinstrument, wordt er in de vakwereld en -literatuur met de woorden ‘onderzoek’ en ‘ontwerp’ in allerhande samenstellingen geschermd. In de veldverkenning werd specifiek gevraagd naar de plek en rol van het ontwerp en het ontwerpend handelen in de beroepsuitoefening, waarmee deze definitievalkuil vermeden werd. Zodoende is de kracht van het ontwerp als onderzoeksinstrument in kaart gebracht om het 'ontwerpmatig denken en handelen' te abstraheren tot methoden en de inzet ervan tot een beroepseigen houding.

Dit sluit aan op het vermoeden dat het begrip 'ontwerpmatig denken' een productieve(re) toegang tot het begrip 'ontwerpend onderzoek' biedt. Geldof en Janssens stellen dat het ‘ontwerpmatig denken’ aan de basis staat van een vorm van onderzoek die door de inzet van het ontwerp als verschijning van het mogelijke resulteert in alternatieven voor de bestaande werkelijkheid . Hun benadering lijkt daarmee te verwijzen naar het utopisch karakter van architectuur en stedenbouw. Beide disciplines zijn gericht op het interveniëren in het heden vanuit de gedachte dat een betere ruimtelijk maatschappelijke context in het verschiet ligt. De uitgangssituatie is ‘problematisch’ en het door het ontwerpen gegeneerde toekomstbeeld stelt een mogelijke betere werkelijkheid voor.

Enkele resultaten

De resultaten van de veldverkenning geven inzicht in de veranderende ontwerppraktijk. Hoewel herbestemming, transformatie en infrastructuur traditionele opgaven lijken, haakt de ontwerper steeds eerder in het proces aan waarmee de vraagstelling aan de ontwerper verandert. Tevens worden ogenschijnlijk niet-ruimtelijke opgaven aan het werkterrein toegevoegd, zoals klimaatmitigatie en -adaptatie. Bij het werken aan deze opgaven geven ontwerpers zich veel meer dan voorheen rekenschap van de sociale, economische, culturele en soms ook politieke consequenties van ontwerpinterventies. Bovendien ontbreken de stippellijnen rond projecten. Het waar en wat is niet altijd duidelijk in de ruimtelijke vraagstelling.

[tekstwolk 01]
“[Onze opgave ligt in] het onderzoeken en stimuleren van nieuw ruimtegebruik naar aanleiding van nieuwe socio-economische, technologische, milieu-gerelateerde ontwikkelingen in de maatschappij.”

Ook de rol van ontwerpers in deze complexere processen werd onderzocht. Het levert een beeld op van de (veranderende) condities waaronder architecten en stedenbouwkundigen aan opgaven werken. Opvallend is bijvoorbeeld dat ontwerpers meer en meer teamspeler worden in beslis- en uitvoeringsprocessen waarbij veel actoren betrokken zijn.

[tekstwolk 02]
“We gaan meer met eindgebruikers projecten ontwikkelen [bijvoorbeeld in CPO of bouwgroepen] en daarbij meer de potentie van bestaande gebouwen onderzoeken”

Het levert een rijkere schakering aan rollen op, van de ontwerper als adviseur bij ruimtelijke transformatieprocessen tot de ontwerper als diegene die belangrijke, maar nog onzichtbare, opgaven agendeert.

[tekstwolk 03]
“De rol van de ontwerper wordt steeds meer divers, soms maken wij klassieke masterplannen, soms zijn we bemiddelaar in een proces en soms plaatsen we zelf een actuele opgave op de agenda.”

Tevens blijkt het ontwerp een duidelijke functie te vervullen binnen het onderzoek en de verkenning van de opgave: “Het ontwerp staat centraal, vanuit het ruimtelijk perspectief wordt de opgave bekeken” en “... [het voor-]onderzoek en ontwerp inzetten om kansen te verkennen”. Het ontwerp is de lens waarmee de probleemstelling bewerkt wordt; het ontwerpmatig denken en handelen is een verkenning van mogelijkheden.

Hiermee gaan de respondenten in tegen de vaak gehoorde opvatting dat het scheppende en het onderzoekende karakter van het ontwerpen strikt van elkaar te scheiden zijn (en zouden moeten worden). Die opvatting komt bijvoorbeeld tot uiting in het verschil dat gemaakt wordt tussen het ontwerpinstrumentarium, dat bestaat uit ontwerpmethodieken, en ontwerpend onderzoek, dat zich bedient van – al dan niet wetenschappelijk onderbouwde – onderzoeksmethodieken.

“The hand-eye-mind connection in drawing is natural and fluent, as if the pencil were a bridge that mediates between two realities, and the focus can constantly be shifted between the physical drawing and the non-existent object in the mental space that the drawing depicts.” Juhani Pallasmaa

Karakteristieken

Ook het hoe van ontwerpend onderzoek is niet altijd duidelijk, zo blijkt uit de enquête. Dit maakt de vraag naar methodieken nog prangender. De kennis daarover blijkt bovenal impliciete kennis, disciplinegebonden en sterk gekleurd door de specifieke positie van de ontwerper in het vakgebied. Zoals Schön in de ‘The Reflective Practioner’ (1983) betoogt, ontwikkelen en benutten architecten en stedenbouwkundigen de kennis die besloten ligt in de discipline en de uitoefening ervan. Dit knowing-in-practice leidt tot tacit knowledge. Schön keert zich daarmee tegen de Design Science Movement die het ontwerpproces trachtte te vatten in geformaliseerde, strak omkaderde en wetenschappelijke onderbouwde stappen. Want als je een architect vraagt ’hoe hij ontwerpt’ en ‘hoe hij zijn ontwerpvaardigheden verder ontwikkelt’, dan zal hij zeggen ‘door het te doen’. Door de eindeloze herhaling van het ontwerpen die nodig is bij het genereren van varianten en de selectie van ontwerprichtingen, wordt de ontwerpvaardigheid gescherpt. Ofwel, de “… fysieke handeling van herhaling en oefening” brengt het vermogen voort om “… de fysieke wereld opnieuw te ordenen in een langzaam proces van metamorfose.”

De rol die het ontwerpend handelen inneemt bij het onderzoeken van complexe ruimtelijke probleemstellingen kent, zo blijkt uit literatuuronderzoek, vier karakteristieken: [1] Binnen het ontwerpen spelen creativiteit, intuïtie, toeval en serendipiteit een belangrijke rol. Het is een vorm van kennisontwikkeling die niet terug te brengen is tot analyse of synthese of te reduceren tot een objectief wetenschappelijk protocol (Heynen, H: 2014). [2] Het ontwerp is een vorm van projectie en de verbeeldingskracht van het ontwerp draagt sterk bij aan het probleemoplossend vermogen (Schön, D:1983). [3] Tijdens het onderzoekend ontwerpproces vormt de opgaveninterpretatie de herdefiniëring van de probleemruimte (Akin, O: 1986). [4] Het ontwerpproces heeft een iteratief karakter (Cross, N: 2007).

“Our job is to give the client, on time and on cost, not what he wants, but what he never dreamed he wanted; and when he gets it, he recognizes it as something he wanted all the time” Denys Lasdun

Nadere beschouwing

In de veldverkenning worden creativiteit en verbeeldingskracht essentiële vaardigheden genoemd. Dit sluit aan op de eerste twee karakteristieken. De opgave-interpretatie is een belangrijke fase in het ontwerpproces; het definieert de zogenaamde probleemruimte van de opgave. Vaak vallen de probleemruimte en de opdrachtstelling niet samen. De architect of stedenbouwkundige is echter in staat om de vraag achter de vraag te ontdekken en in complexe ruimtelijke vraagstukken de onderliggende mechanismen te ontdekken door te ontwerpen aan het vraagstuk. Zo werd tijdens de veldverkenning gesteld dat de ”... architect ook ontwerper van de opgavedefinitie” is geworden. Of, anders geformuleerd, de probleemstelling wordt herleid tot een ruimtelijke opgave die ontwerpend tegemoet getreden kan worden.

Schön beschrijft hoe, door te ontwerpen, aan de uitgangssituatie het niet alledaagse ontworsteld kan worden. Cross omschrijft hoe het ontwerpersbrein met een andere blik de opgave, locatie of randvoorwaarden kan waarnemen om zowel de vraag te herinterpreteren als de ontwerpopgave of de probleemruimte te herdefiniëren. Het ontwerpproces wordt gekenmerkt door het snel generen van meerdere aanvaardbare oplossingen als ontwerp(voorstellen). Cross wijst in zijn beschouwing van de cognitieve processen op deze karakteristiek van het designerly knowing. In het ontwerpproces wordt uit de gegenereerde varianten steeds de meest passende geselecteerd. Dit deductieve en iteratieve proces stelt de ontwerper in staat om voorbij alledaagse, voorstelbare oplossingen te geraken en zo de opdrachtgever te voorzien van een oplossing die deze niet in de opdrachtstelling had kunnen bedenken.

Ontwerpend onderzoek is dan ook niet zozeer gericht op het ontwikkelen van de optimale oplossing voor een ruimtelijk maatschappelijk vraagstuk, maar poneert juist meerdere min of meer mogelijkheden. Dat leidt tot toekomstigheden – om met Geldof en Janssen te spreken – die wijd uiteen kunnen lopen en die fundamenteel kunnen verschillen van de uitgangssituatie. Ter illustratie dienen een drietal voorbeelden uit de Rotterdamse onderwijspraktijk van ateliers geïnitieerd door beide lectoraten, waarin de genoemde karakteristieken duidelijk afleesbaar zijn.

Voorbeelden uit de Rotterdamse onderwijspraktijk

  1. De Grondstoffenfabriek - FUR (2e semester 2014/15)
    In het atelier staat het genereren, doordenken en beoordelen van meerdere oplossingsvarianten voor de omgang met afvalwater in een ruimtelijke omgeving centraal [4]. Mogelijke antwoorden worden analyserend en ontwerpend verkend [2]. De student vergaart zoveel mogelijk kennis over historische en nieuwe watertechnologieën en maakt zich deze ‘eigen’. Op basis van deze kennis worden integrale oplossingen voor ‘de grondstoffenfabriek’ geschetst. Deze mogelijke oplossingen worden met behulp van scenario’s ruimtelijk getest op een Rotterdamse locatie. Zo wordt in het atelier een bandbreedte van mogelijke ruimtelijke oplossingen ontwerpend onderzocht [4]. Het ontwerp wordt vervolgens ingezet om de opgave te verkennen [3]. Daartoe kunnen middelen worden ingezet als data-analyse, technisch onderzoek, gesprekken met deskundigen etc. De ruimtelijke verbeelding is steeds een weerslag van verworven kennis. Het ontwerp evolueert gedurende het proces. Dat vraagt van de studenten telkens een kritische houding ten aanzien van de door henzelf gestelde opgave. [3].


2. Foodhub Spaanse Polder - FUR (1e semester 2013/14)
De gemeente Rotterdam vroeg om scenario’s voor de Spaanse Polder als FoodHub die de relatie tussen stad en land versterken. De verschillende stromen die de stad vormen, waren leidend voor de opgave. Voedsel blijkt slechts één van deze stromen. Andere krachten binnen het gebied zijn de relaties tussen de gevestigde bedrijven onderling, de ruimten die zij met elkaar delen en de mogelijkheid om (rest)producten uit te wisselen en in te zetten voor nieuwe ontwikkelingen. Het atelier resulteert dan ook niet in de door de opdrachtgever verwachte antwoorden of wervende eindbeelden, maar biedt inzicht in een ruimtelijke vertaling van de aangetroffen systeemrelaties. Het ontwerp voor de Spaanse Slacht kan worden gezien als een projectie van een rationele benaderingswijze van de opgave [2], op basis van een methode van deductie en reductie [4]. Het geheel van gegenereerde oplossingen, gebundeld in het project PulsPolder, is een illustratie van de herdefiniëring van de probleemruimte [3]. Het perspectief van de opgave kantelt van een op de relatie stad-land gerichte benadering naar een inclusieve benadering waarin alle spelers en bestaande ruimten een rol toebedeeld krijgen.


3. SUNLAB - SAUD (1e semester 2013/2014)
In het atelier vormt het ontwerp voor een collectief, passief verwarmd en gekoeld woongebouw de opgave. De probleemruimte wordt bepaald door het kavel en de context [3]. Door het ontwerp te informeren met deze fysieke kaders worden de (micro)klimatologisch uitgangspunten ruimtelijk ingebed. Door vervolgens het ruimtelijk model te informeren met het (micro)klimatologisch model, in het bijzonder de invallende zonnestraling, worden via een iteratief ontwerpproces [2] de gebouwenvelop en de plattegrond vormgegeven. Uit de breedte van de uitkomsten blijkt de divergentie door serendipiteit [1]. Kleine afwijkingen in het architectonisch concept en in het ontwerpproces resulteren in geheel andere ontwerpuitkomsten. Elke stap in het ontwerpproces is gericht op het generen van een breedte aan aanvaardbare oplossingen, en het iteratieve proces leidt tot doorontwikkelde ruimtelijke varianten.

Ontwerpend onderzoek als meerwaarde

Er is in deze voorbeelden geen sprake van een eenduidige toepassing van een enkele methode van ontwerpend onderzoek. Het veronderstelde onderscheid tussen het ontwerpinstrumentarium en het ontwerpend onderzoekinstrumentarium is hier niet evident. Het scheppende en het onderzoekende karakter van het ontwerpen staan wel degelijk in relatie tot elkaar en zijn nauw met elkaar verweven. In de bestudeerde ateliers is eerder sprake van het hanteren van een hybride model om mogelijke oplossingen voor ruimtelijk maatschappelijke vraagstukken te genereren. Het maken van een onderscheid tussen ontwerp- en onderzoeksmethodieken lijkt bovendien contraproductief te zijn bij het agenderen van het onderzoekend vermogen van het ontwerp als instrument van de architect en stedenbouwkundige.

“[…] Verwijzend naar de toekomst, is dit ongeveer het enige dat gezegd kan worden in verband met architectuur: het zal blijven bestaan als het erin slaagt de vraag naar zichzelf in stand te houden[…]” Geert Bekaert

Tegelijkertijd vormen de kennis en vaardigheden ontwikkeld binnen het eigen vakdomein, de tacit knowledge on research by design, een belangrijk reservoir om uit de putten. Het ontwerpmatig denken lijkt rijk en krachtig genoeg om ontwerpend onderzoek als volwaardig instrument van de ontwerpende disciplines te beschouwen. Afgezet tegen een veranderende markt, waarin de rol van de architect en stedenbouwkundige onder druk staat en andere partijen steeds meer taken overnemen, kan ontwerpend onderzoek een belangrijke meerwaarde van het beroep blijken; juist omdat het ontwikkelrichtingen van ruimtelijk-maatschappelijke omgevingen kan analyseren, toetsen en zichtbaar maken op een kritische, bevragende manier.

Het vervolgonderzoek zal zich preciezer richten op verschillende methoden van ontwerpend onderzoek door in gesprek te gaan met een selecte groep architecten en stedenbouwkundigen en het analyseren van een aantal casussen. Parallel daaraan worden methoden vanuit de literatuur nader in kaart gebracht. Vervolgens worden geselecteerde methoden getoetst in verschillende ontwerpateliers. De resulterende kennis over (een aantal) methoden van ontwerpend onderzoek zal, tot slot, breed gedeeld worden met het werkveld. Dat is niet alleen de missie van beide lectoraten, maar ook essentieel voor een Academie die intrinsiek verbonden wil zijn met de beroepspraktijk.

(# credits Dit artikel is verschenen in HUIG zomer 2015), RAvB Jeroen Visschers (SAUD) en Willemijn Lofvers (FUR)

referenties

  • Akin, Ö (1986). Psychology of architectural design. London: Pion Limited.
  • Bloch, E (1959). Das Prinzip Hoffnung. Frankfurt am Maine: Suhrkamp.
  • Cross, N. (2007). Design Thinking. BIRD Berlin: Birkhäuser Verlag.
  • Cross, N. (1982). Designerly Ways of Knowing. (Okt-1982), 221-227. In: Design Studies Vol 3, No 4.
  • Cross, N. (Ed.), 1972. In: Design participation: Proceedings of the design research society’s conference 1971, Academy editions, London, UK.
  • Geldof, C, Janssens, N (2007). Van ontwerpmatig denken naar onderzoek, 11-19. In Achtergrond 03 – Architect / Ontwerper / Onderzoeker, Casus Mare Meum: een oefening op de zee, Vlaams Architectuur Instituut, Antwerpen.
  • Heynen, H. (2014). Ontwerpend onderzoek. (Mar-2014 ), 14-15. in ‘De Vrije Hand’
  • IenM (2012). Werken aan ontwerpkracht. Actieagenda architectuur en ruimtelijk ontwerp 2013 — 2016.
  • Pallasmaa, J. (2009). The Thinking Hand. Existential and Embodied Wisdom in Architecture. Chichester: John Wiley & Sons Ltd.
  • Sennet, R (2008). The Craftsman. New haven: Yale University Press.
  • Schön, D. (1983). The Reflective Practioner. Basic Books.
  • Ungers, O.M. (1982). Designing and Thinking in Images, Metaphors and Analogies. In Morphologie, City Metaphors. Keulen:Verlag der Buchhandlung Walter König.
  • RAvB, FUR en SUAD (2014). Enquête Ontwerpend Onderzoek.

noten

Fuzzy logica is een meerwaardige logica die omgaat met onzekerheden zoals die in bijvoorbeeld de natuurlijke taal en ontwerpprocessen voorkomen. Grondlegger is de wiskundige Lotfi. A. Zadeh

“We human beings have a long history of design thinking, as evidenced in the artefacts of precious civilizations and in the continuing traditions of vernacular design and traditional craftwork. […] The ability of designers to produce effective, efficient, imaginative and stimulating designs is therefore important to all of us. To design is normal for human beings, and ‘design’ has not always been regarded as something needing special abilities.” Cross [2007]: p. 3-4 In zijn meest recente boek ‘Design Thinking’ bestudeert Nigel Cross, emeritus hoogleraar en voorzitter van de Design Research Society, middels casestudies en interviews de cognitieve processen die ervoor zorgen dat ontwerpers ontwerpen zoals ze ontwerpen.

Werken aan ontwerpkracht. Actieagenda architectuur en ruimtelijk ontwerp 2013 — 2016 (2012) is een gezamenlijke uitgave van Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Ministerie van Defensie.

Middels een enquête zijn houding, kennis en vaardigheden en de gehanteerde ontwerp- en onderzoeksmethodieken onder de docenten en mentoren van de Rotterdamse Academie in beeld gebracht. Aan 86 personen werd een reeks vragen gesteld naar de plek die het ‘ontwerp’ en het ‘ontwerpen’ plaats neemt in hun praktijk. 37 respondenten hebben de vragenlijst ingevuld.

“There is also a lot of random and abstract escapism here, but great works of art essentially show a realistically related pre-appearance of their completely developed subject-matter. The glance towards prefigured, aesthetically and religiously experimental being is variable within them, but every attempt of this kind is experimenting with something that overhauls, something perfect which the world has not yet seen. The glance towards this is concrete in various ways depending on the respective class barrier, but the basic utopian goals of the respective so-called artistic aspiration in so-called styles, these ‘excesses’ over and above ideology, do not always perish with their society. Egyptian architecture is the aspiration to become like stone, with the crystal of death as intended perfection; Gothic architecture is the aspiration to become like the vine of Christ, with the tree of life as intended perfection.” Bloch,E [1959]

“physical acts of repetition and practice”[…] “reconfigure the material world in a slow process of metamorphosis”, Sennet, R [2008]: p. 294

Schön proposed ‘an epistemology of practice implicit in the artistic, intuitive processes which some practitioners do bring to situations of uncertainty, instability, uniqueness, and value conflict,’ which he characterized as ‘reflective practice’. Schön, D [1983] Zie ook Akin: redefining the constraints of the problem space in Akin, Ö [1986] Cross, N [2007]: p.7