2015-11-20

DIALOOG #4

De bijeenkomst op 19 juni 2015 in Showroom Arnhem (CASA) stond geheel in het teken van de presentaties van zes studio’s en van het ontwikkelen van kennis over opgave, thema’s en aanpak/werkwijze van het lectoraat. Elk van de studio’s richtte een spotlicht op een stad of regio. Maar de beproefde werkwijze is natuurlijk ook toepasbaar voor andere gebieden die niet in het FUR-blikveld liggen. Daarmee illustreerden de studio’s de bredere ambitie van het lectoraat. Een ambitie die bovendien ook in tijd verder reikt dan de looptijd van FUR. De studio’s leverden, zoals verwacht, veel inzichten en kennis op. Hoewel er zeker ook overeenkomsten met bestaande methodes waren, was de zoektocht (en nieuwsgierigheid) naar nieuwe strategieën sterk voelbaar. Vanzelfsprekend leveren de vernieuwingen of aanpassingen van bestaande strategieën niet altijd direct resultaten op. Doel van deze (en andere) FUR-dialogen is dan ook onverminderd om de lopende processen en resultaten van ontwerpend onderzoek dan wel gezond urbanisme kritisch en te bespreken. Op deze wijze kunnen verworvenheden en inzichten als inspiratie dienen voor volgende FUR-studio’s. Samenvattend kunnen uit de presentaties van de studio’s voorzichtig de eerste algemene inzichten gedestilleerd worden.

Uit de studio’s werd duidelijk dat het ontwerpend onderzoek een collectie van mogelijkheden heeft opgeleverd die echter nog onvoldoende door stakeholders de (wijk-)bewoners, wordt omarmd. De intrinsieke motivaties van actoren zouden veel nadrukkelijker aan de resultaten van ontwerpend onderzoek moeten worden aangehaakt en geen doel op zich blijven. Door het leggen van dwarsverbanden tussen verschillende onderwerpen en grootheden, én door het aanhaken op actoren, zou een beslissende dynamiek kunnen ontstaan. Het organiseren van een community of practice, bestaande uit bijvoorbeeld overheden, bedrijven, bewoners, onderwijsinstellingen en adviesbureaus, dat zich actief en voor langere tijd rondom een onderwerp organiseert, zou wel een belangrijke meerwaarde / hulpmiddel voor het (ontwerp)proces van gezond urbanisme kunnen zijn. Het ontwerpend onderzoek maakt zichtbaar dat een proces dat gericht is op één object of een aspect van een onderwerp daadwerkelijk een toolbox aan (culturele en technische) benaderingen kan opleveren. Die combinaties van oplossingsmogelijkheden zouden vanuit verschillende actorgerelateerde perspectieven op verschillende momenten in een bepaald tijdspad kunnen worden ingezet. Het ontwerpend verkennen van een abstracte vraag binnen een afgebakend proces leidt tot een verkenning van mogelijkheden en het testen van ruimtelijke betekenissen op verschillende schaalniveaus. De kennis over de relatie van het onderwerp met de context van plaats en tijd is daarbij onontbeerlijk - Echter typologische innovaties (ont)staan los van locatie. Sterker nog, het werken op basis van systemen lijkt vele malen intelligenter te zijn dan het (op voorhand) nemen van een locatie als ontwerpuitgangspunt voor een gezond urbanisme.

Studio Arnhem

Thema van deze studio was ‘Sport in de stad’; wat kan de rol van het stimuleren van sport en recreatie voor het centrum van Arnhem betekenen. Een jaar geleden is de formulering van opgave gestart met een workshop waarbij door Ady Steketee en andere docenten, samen met de gemeente, een aantal nuttige vragen voor gezonde verstedelijking is bedacht. Het thema bood vrij direct een aantal concrete ontwerpopgaven en de gemeente was enthousiast over het mogelijk perspectief. De onderzoeksvragen werden vervolgens door de betrokken docenten opgesteld. Daarna is met behulp van een videoanalyse en kaarten met daarop de locaties van, bijvoorbeeld, sportverenigingen, gps-tracks van hardlooproutes een beeld gevormd van de rol en aanwezigheid van sport in de stad Arnhem. Een totaalkaart verbeelde vervolgens het volledige programma (waarbij ook de aanwezigheid van Sportcentrum Papendal, voetbalclub Vitesse e.d. werd meegenomen). Op basis van de verkregen inzichten werd een toolbox gemaakt voor sport en voorzieningen in de openbare ruimte. Vier locaties die centraal staan in de Structuurvisie Arnhem werden overgenomen voor deze opgave. Aandachtgebieden daarin zijn: Rijnkade, relatie stad met gebied aan overzijde van de Rijn, relatie tussen centrum en station, relatie centrum en Klarendal (mode), herontwikkeling industrieel erfgoed (oostelijk van het centrum). De koppeling aan de structuurvisie heeft echter voorkomen dat de voorgestelde ontwerp-oplossingen zijn vergeleken en getoetst met visie en plannen van andere steden. Dus hoewel de ideeën als een hardloopbaan in een wijk, sport als cohesie in een gefragmenteerde ruimte, de kansen van een stadsrand en actief gebruik van ruimte valide lijken zijn ze nog te weinig getoetst (benchmarking) aan andere realiteiten om echt op waarde te kunnen worden geschat. Om de voorstellen verder te toetsen is hernieuwd contact met stakeholders belangrijk (die werden nu vooral in fase van het formuleren van de opgave gesproken). Ook wordt vastgesteld dat er per gebied verschillende strategieën nodig zijn als de plannen verder worden ontwikkeld. Belangrijk daarbij zijn de houding van ontwerpers t.o.v. bewoners, het betrekken van corporaties en de relatie met de buurt. Vooral het laatste punt wordt als een essentieel element benadrukt (zie ook het project Leefstraat in Gent, www.leefstraat.be). De voorgestelde ontwerpen gaan immer zonder uitzondering om het vinden van de intrinsieke motivatie van bewoners om te gaan sporten (of meer te bewegen). Daarnaast wordt duidelijke dat sport de potentie heeft om bepaalde aandachts- en probleemgebieden aan te jagen. Sportprogramma kan goed geïntegreerd worden in de publieke ruimte rond bijv. scholen en ook in de (her-)ontwikkeling van de randen van stad of wijk. Denkbare vervolgstappen die verder ter sprake komen: in kaart brengen ongezonde wijken; aangaan van gesptrekken met zorgverzekeraars; implementatie is mogelijk kansrijker bij inzetten van laagdrempelige maatregelen (beweging i.p.v sport); niet uitsluitend denken in grote ruimtelijke plannen maar ook kijken naar kleine ingrepen in de publieke ruimte. Een andere belangrijke constatering lijkt de vaststelling dat veel lokale overheden (dus ook Arnhem) de laatste jaren ernstig aan het bezuinigen zijn op sportvoorzieningen. Voor een kansrijke implementatie en uitwerking van de voorstellen is het daarom ook belangrijk om te kijken naar wel beschikbare geldstromen en deze met elkaar te verbinden.

Studio Amsterdam

De resultaten worden gepresenteerd door Marco Broekman en Dingeman Deijs. Het onderwerp is de Zaans Next Economy. Het gebied in Zaanstad is een van de oudste bedrijventerreinen van de wereld. De studio heeft 16 strategieën, een strategisch masterplan en uitwerkingen (tot een klein schaalniveau) opgeleverd. Toch bestaan er wat gemengde gevoelens over het resultaat, zowel qua opbrengst als het verloop van het proces zelf. Daarbij wordt vastgesteld dat er nog te weinig ervaring met ontwerpend onderzoek is. Dit voorkomt o.a. dat analyses effectief kunnen worden ingezet. Daarmee blijft ook een belangrijk doel buiten bereik, namelijk om de vraag te beantwoorden hoe je strategische plannen maakt. Ook blijven sommige studenten te lang steken in een analyserende modus en wordt het ontwerpen en/of verdere stappen te lang uitgesteld. In de studio zijn daardoor ook niet alle (eerder geplande) stappen doorlopen. Deze situatie raakt aan tenminste twee manco’s; het onderwijs is te veel op individuele schaal ingericht en ontwerpend onderzoek is nog te weinig ingebed in het onderwijs. Het eerste manco voorkomt dat studenten gaan samenwerken en het tweede voor gebrek aan kennis en ervaring om de waarde van ontwerpend onderzoek naar waarde te kunnen schatten. Bovendien is het voorgestelde proces nogal ambitieus in relatie tot de praktische tijdbesteding van de studenten. De studio heeft uiteindelijk een mix van diverse componenten opgeleverd: een product voor de gemeente, ontwerp & systematiek en een relatie van de academie met een opdrachtgever. Een overkoepelende vraag die binnen deze studio is gesteld is derhalve ook waar de nadruk binnen het lectoraat FUR nu ligt (of zo moeten liggen): bij het proces, het product of de relatie met de lokale overheid? De casus Zaanstad kenmerkt zich door een structureel probleem. De gemeente heeft volgens Broekman en Deijs namelijk een relatief introverte mentaliteit. Men is feitelijk bang voor een mentale en fysieke verbinding met Amsterdam. De ironie wil dat echter juist op het (ruimtelijk) schakelpunt tussen die twee gemeenten kansen liggen. In de studio is op basis van deze constatering de vraag opgeworpen of het masterplan wel het juiste middel is om stakeholders en belangstellenden betrokken te krijgen. En ook of het masterplan vaak niet te vroeg in een proces wordt ingezet? Een masterplan heeft vaak het (bedoelde) effect om te voorkomen dat een opdrachtgever ‘gaat schuiven’. In de discussie met de zaal wordt duidelijk dat een masterplan een van de opties zou kunnen zijn, maar nadrukkelijk pas nadat een verkenning van de mogelijkheden heeft plaatsgevonden. Het gaat in het algemeen bij ontwerpend onderzoek ook om flexibiliteit: het is een voortdurend proces van vaststellen, input verwerken, onderdelen meenemen en ook weer los (kunnen) laten om zo steeds de vraagstelling scherper te krijgen. De scenarioworkshop met Salewski (Dialoog #3) heeft geholpen om studenten te prikkelen om verder te gaan dan gewend. De voorstellen en scenario’s kregen daardoor een meer experimenteel en extremer karakter, wat als positief werd ervaren.Uit het bestuderen en werken aan de casus van de mogelijke ontwikkelingen van de Zaanse economie werd duidelijk dat er veel meer op regionale schaal gekeken en vergeleken moet worden. Zaanstad moet, bijvoorbeeld vergeleken worden met een stad als Almere. Daarbij moet de focus nadrukkelijker naar economisch/ruimtelijke relevante schaalniveaus verlegd worden. Vervolgens is ingrijpen op een lager schaalniveau veel effectiever.

Studio Tilburg

De studio houdt zich onder leiding van Marieke Kums bezig met Veerkrachtige Systemen, een onderwerp waar al redelijk veel onderzoek naar gedaan is/wordt. Water is daarbij een belangrijke factor vanwege de (toenemende) effecten die de klimaatverandering op dit gebeid voor de stad (kunnen) hebben. In het directe verband met Brabant is water(berging) een sturende kracht bij de ruimtelijke inrichting van de provincie. De aandacht heeft zich tijdens de studio gericht op het Eindhovens Kanaal dat sinds de jaren ’70 niet meer actief in gebruik is (als transportader). Er hebben 12 studenten op redelijke individuele basis aan gewerkt wat tot 11 redelijk solitaire projecten heeft geleid die wel alle water gerelateerd zijn. Drie daarvan worden tijdens de presentatie nader toegelicht. Ze hebben als thema’s waterberging, energieopwekking en voedselproductie in de stad. De opgaven zijn redelijk traditioneel benaderd. Het resultaat is een vrij eendimensionale architectonische exercitie. Daarbij zijn, buiten de gemeente, weinig stakeholders bij het proces betrokken geweest. Dat is een gemis omdat de betrokkenheid van meer partijen de complexiteit van de opgaven en het proces kunnen vergroten. De aanpak heeft ertoe geleid dat de studio en de resultaten een complexiteit missen en teveel op één thema zijn blijven hangen. Er is nagelaten om onderzoek te doen naar de ruimtelijke gevolgen van de voorstellen; de ontwerpend lijken ook weinig vernieuwend. Als er eerder en meer input was geweest hadden de voorstellen mogelijk ook meer vernieuwend effect op de materie gehad. Nu zijn de knelpunten met betrekking tot de relatie van water en ruimtelijke inrichting van Brabant niet veel duidelijker geworden. Het resultaat is veel meer een exercitie in het transformeren en revitaliseren van oude infrastructuur (‘een waterversie van de High Line in New York’). Daarbij zijn de onderwerpen en het gehanteerde framework van ontwerpend onderzoek nadrukkelijk door de docenten bepaald en hebben studenten minder ruimte gekregen om zelf keuzes te maken. Het voordeel van zo’n ‘cocon’ is dat studenten zich veel beter kunnen focussen en minder afgeleid worden door allerlei bijzaken. Een positief effect van deze studio lijkt ook wel dat het nut van ontwerpend onderzoek beter zichtbaar werd voor studenten. Door hun geconcentreerd en kleinschalige aanpak hebben ze zich ontwikkeld tot experts op een heel klein schaalniveau van gezond urbanisme. Verder liggen er verbeterpunten op gebied van het eerder sturen en aftasten van actuele tendensen, het accentueren van de relatie met de regio en een betere positionering van Brabant op dit gebied.

Studio Maastricht

De gevolgde aanpak van de studio onder leiding van Franz Ziegler detoneert enigszins binnen de vier presentaties. Van ontwerpend onderzoek zoals bedoeld (volgens gegeven kaders en proces) is daardoor in mindere mate sprake. Dit versterkt ook het stand alone-karakter van deze studio. De studio richt zich op de oostzijde van de Heerlense binnenstad waar leegstand van grote complexen een steeds urgenter probleem is. Gebouwen zijn leeg achter gelaten door het ARCUS college en het Amrath Hotel komt ook leeg vanwege faillissement. Deze instituties verloren hun sociaal culturele verbondenheid met deze plek. De buitenruimte tussen de gebouwen is schraal, gefragmenteerd en onaantrekkelijk. Relaties met het hooggewaardeerde landschap en de Caumerbeek zone vormen een belangrijk startpunt en kans voor de herontwikkeling van het gebied. Het vestigingsklimaat kan profiteren van voorbeeld ontwerpen waarbij de relaties tussen de stad en de landschappelijke omgeving sterker op elkaar betrokken worden. In de studio heeft elke student zich op een bepaald stuk of gebouw uit het gebied gericht. Opvallend is dat er geheel zonder inbreng of betrokkenheid van stakeholders aan de opgaven is ontworpen. Hoewel het startpunt een sociaal-cultureel en demografisch probleem was is hier gekozen voor een benadering waarbij vakmanschap en het tekenen van een architectonische droom centraal stonden. Het resultaat van de studio zijn daarom, niet geheel verwonderlijk, redelijk klassieke, ruimtelijke ontwerpen en projecten. In de reactie op de resultaten wordt vooral gewezen op de kansen en mogelijke verbindingen die het onderwerp en de casus hebben met actuele ontwikkelingen op een groter schaalniveau. Zo is voorbij gegaan aan de Euregionale context van de problematiek en is leegstand terug gebracht tot een oefening in het verfraaien of aanpassen van bestaande gebouwen. Leegstand en krimp raken echter wel degelijk aan meer dan dat. Met de beperkende aanpak van deze studio worden de mogelijkheden en kansen die ontwerpend onderzoek hier biedt bij lange na niet benut. Centraal staat immers de vraag hoe deze problemen in beweging en in relatie tot andere ontwikkelingen, zoals de nog wel vitale krachten en ontwikkelingen in de plaatselijke samenleving, gebracht kunnen worden. De extreme focus op de (klassieke) transformatie van een gebouw simplificeert deze evidente opgave van de nabije toekomst veel te ernstig.

Studio Groningen

De academiestudenten uit het tweede en derde jaar studeren in Groningen op een dubbele agenda: Healthy Aging en energietransitie. Die agenda is geprojecteerd op twee zeer verschillende locaties: de naoorlogse wijk Selwerd en de recente uitbreidingswijk Europapark. Onder leiding van Alex van Spijk en René Heijne hebben de studenten architectuur van de Academie van Bouwkunst gewerkt aan de vragen wat energietransitie in deze twee contexten betekent én welke stedenbouwkundige en architectonische maatregelen er nodig zijn om die transitie te faciliteren. In Europapark is een deel van de op handen zijnde energietransitie reeds is verwezenlijkt. De hele wijk is aangesloten op een warmte koude opslag systeem. Toch is er nog wel wat te verbeteren. In de samenhang van woningen, kantoren en een voetbalstadion liggen namelijk nog kansen voor verduurzaming van de energieopgave.

Hoe kan duurzame energie ruimtelijk bijdragen aan een gezonde stad? Dat is de centrale vraag van dit ontwerpend onderzoek. De economische en ruimtelijke effecten van de energievoorziening zijn meegenomen, maar opvallend genoeg spelen de ecologische en sociaal-culturele dimensie nauwelijks een rol. De verwachte uitkomst is dat energietransitie zelf een instrument is voor stedelijke transformatie. Het gekozen proces is grofweg op te delen in drie fasen: analyse, ontwerp, uitwerking. Nadat informatie is verzameld en geanalyseerd zijn ruimtelijke voorstellen voorgelegd aan stakeholders. Scenario’s zijn als onderzoekinstrument ingezet en vormden een brugfunctie tussen analyse en ontwerp. Zij zijn vertaald naar ruimtelijke interventies. De schaal houdt het midden tussen het gebouwniveau en de stad, ergens tussen architectuur en stedenbouw. Het ontwerp heeft vooral een functie om ruimtelijke expressie van energietransitie in verschillende scenario’s te visualiseren.

In de Groningse studio is veel aandacht voor de betrokkenheid van stakeholders. Provincie, gemeente, waterschap, bewoners, wijkbedrijf, ROC en adviesbureaus zijn alle betrokken bij de opgave. In het verlengde van deze en voorgaande studio is het organiseren en bij elkaar houden van deze community of practice een uitdaging voor het lectoraat. Desalniettemin geldt hier nog steeds de vraag: wie is de opdrachtgever? Wat wil deze en komt dat overeen met de wensen van de bewoners? Hoewel dit relevante vragen zijn naar aanleiding van de eerste studio (over energietransitie) lijken deze nu toch minder op hun plaats. Op de achtergrond is namelijk ook een ander krachtenveld actief waarbij de onderwijsinstelling zelf intervenieert en optreedt als stakeholder en opdrachtgever. Aanbeveling is om in het formuleren van de opgave de samenwerking met de stakeholder community veel sterker in te richten en gezamenlijk tot een opgave te komen. Dat houdt een zeker risico in voor de opleiding omdat vooraf onduidelijk is of de leerdoelen, die men voor ogen heeft kunnen, kunnen worden gerealiseerd. Feitelijk heeft de keuze van energietransitie en healthy aging een nieuw begin in het onderzoek geforceerd en is de kans om een stap te maken in het proces om stakeholders van belangstellend naar geïnteresseerd te manoeuvreren gemist. Een van de constateringen is dat in het proces van ontwerpend onderzoek het organiseren van de betrokkenheid van lokale stakeholders –idealiter- gelijktijdig op zou gaan. Het zijn immers geen autonome processen, maar het ontwerp is een verbeelding van de mogelijke behoeften van haar gebruikers en biedt inzicht in de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. In dit (stadium van het) proces gaat het erom gezamenlijk die waarden te verkennen. Stakeholders worden eigenaar van de voorgestelde programmatisch ruimtelijke ontwikkeling. Om dat proces te accommoderen moet scherper worden gereflecteerd op de opbrengsten van de ruimtelijke voorstellen richting energietransitie en of healthy aging. In een dergelijke opzet vraagt dat om veel preciezer na te denken over de communicatie van het traject van ontwerpend onderzoek: de analyses en visualisaties. Maar ook wat je wil vertellen en vanuit welk perspectief je dat doet en met welke beelden. Kortom, wat is de essentie van het project? Ook in de richting van de community, de wijk en de stakeholders en vice versa. Het lectoraat zou dit moeten beschouwen als een integraal onderdeel van het ontwerpend onderzoek. De academie(s) moeten het nauwkeurig reflecteren op de opgave beschouwen als een belangrijk onderdeel van de beoordelingscriteria.

Studio Rotterdam

Onder de titel ‘grondstoffenfabriek’ richtte de Rotterdamse studio zich op de stedelijke opgave en verdienmodellen omtrent rioolwater. Het systeem is verouderd en de kosten te hoog zijn om de gehele stad te voorzien van een nieuw rioolsysteem. De stad vraagt de academiestudenten te kijken naar alternatieve oplossingen. De stad vraagt zich af of het haar afvalwaterketen kan inzetten als grondstoffenfabriek voor een circulaire economie. Experts op het gebied van afvalwater introduceren de opgave. Vanuit een eigen motivatie en fascinatie voor deze complexe problematiek formuleren de vijf studenten stedenbouw en architectuur hun opgave. Onder leiding van docent Florian Boer (De Urbanisten) verkennen zij in een viertal stappen, en analyseren en ontwerpen mogelijke antwoorden op deze vraag. De studenten ontwikkelen een begrip van deze complexe materie en formuleren zelfstandig, vanuit zeer uiteenlopende perspectieven ruimtelijke ontwerpvoorstellen op verschillende schaalniveaus. Op basis van inzichten in het systeem en de vervanging- en investeringsopgave ontwikkelt de rioolopgave zich als een sturend mechanisme in stadsplanning. Wat leidt tot een zelfvoorzienende wijkontwikkeling buiten de ring en tot een centrale oplossing. Een ander voorstel is om een leegstaand kantorencomplex als waterzuivering machine te gebruiken. Een natuurlijk waterzuiveringssysteem (getest en ontworpen voor verschillende locaties) krijgt uiteindelijk vorm in een leegstand kantorencomplex en functioneert als motor voor de herontwikkeling van een veel groter gebied. Op de schaal van de wijk wordt de rioolwaterzuivering ingezet als sociaal cultureel hart en als grondstoffenmarkt voor een stedelijke innovatie campus annex experimenteerruimte voor informele economie. Op het kleinste schaalniveau leidt de scheiding bij de bron tot vernieuwing van de typologie van de doorzonwoning. Een eerste interessante conclusie is dat typologische innovaties los staan van locaties. De locaties volgen vanuit de vraagstelling en het onderzoek naar mogelijkheden. Er is grote overeenstemming dat deze manier van werken op basis van een systeem intelligenter is dan een locatie als uitgangspunt te nemen voor een gezonde stedelijke ontwikkeling. De studio laat zien dat je nieuwe betekenissen aan de stad, de wijk en het huis kunt toekennen op basis van systeeminnovaties. De gepresenteerde ideeën bevinden zich zeer nadrukkelijk in de verkennende fase van een nieuwe opgave definitie. Zij duiden de urgentie van de vernieuwing, en maken die voorstelbaar en ruimtelijk inzichtelijk. De voorstellen laten nadrukkelijk zien dat het om een integrale opgave gaat, over een samenwerking tussen vele actoren, maar ook om het delen van kennis en het slim verbinden aan andere stedelijke opgaven. Ruimtelijk lijkt een overgang voorstelbaar van een centraal georganiseerd systeem naar een decentraal georganiseerd systeem. Maar wat betekent dit bijvoorbeeld organisatorisch, financieel en juridisch (waar kun je terecht als je er een potje van maakt en je je fecaliën niet meer kwijt kunt?). Wat is de sociaaleconomische, culturele en ecologische meerwaarde en (hoe) weegt deze op tegen een centraal rioolwateringssysteem? Hierop geeft de studio (nog) geen antwoord. Er wordt voorgesteld om dit in een later stadium te laten onderzoeken door studenten binnen de Hogeschool. De vraag is dan wie zich op zal werpen als bronnenbaas van al die kennis. Die rol kan opgepakt worden door een lokale stakeholder, zoals gemeente Rotterdam, terwijl er ook veel andere eigenaren van de materie zijn. Vragen zijn er ook over wat het betekent voor, bijvoorbeeld, het persoonlijk comfort; en wat zouden de bewoners willen en kunnen? En wat kunnen we nu werkelijk met teruggewonnen materialen doen en zijn er verdienmodellen denkbaar?

Verslaglegger: JaapJan Berg | Bergplaats, Amsterdam