2014-01-17

Dialoog #1

De eerste openbare bijeenkomst van het Lectoraat Future Urban Regions (FUR) is een feit. Op 17 januari 2014 kan iedereen die dat wil in Het Nieuwe Instituut kennis nemen van de eerste stappen en bereikte resultaten van het lectoraat tot dan toe. Naast het presenteren van de resultaten van de eerste reeks studio's, te weten van de academies in Amsterdam, Arnhem en Rotterdam, staat de bijeenkomst vooral in het teken van de gedachtevorming over de doelstellingen en ambities van het lectoraat.

Vragen en verwachtingen

Het lectoraat zet in op een tweetal speerpunten: gezonde verstedelijking en ontwerpend onderzoek. De koppeling aan opgaven en het opdrachtgeverschap op regionaal en lokaal niveau zorgt voor de mogelijkheid van een testruimte voor de beide thema’s. In die koppeling van de thematische speerpunten aan concrete opgaven spelen ook de verschillende ambities en wensen van de drie opdrachtgevers van het lectoraat een belangrijke rol. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu vraagt om aansluiting met lokale en regionale overheden door hen te ondersteunen bij experimentele vraagstukken die buiten de sfeer van de dagelijkse praktijk vallen. De academies Bouwkunst vragen om methodische vertalingen van het begrip ontwerpend onderzoek en de leerervaring voor studenten om direct voor echte opdrachtgevers te werken. De lokale en regionale overheden, tenslotte, vragen om ‘scherper geformuleerde vraagstukken’ (en niet noodzakelijk ontwerpen als eindoplossingen), waarbij een ontwerpende houding wordt ingezet om het domein van vraag en antwoord te verkennen. Het open en publieke karakter van de bijeenkomst moet voor het lectoraat nadrukkelijk bijdragen aan een kritische reflectie en het scherper stellen van de contouren en aanpak van het lectoraat. Deze vorm van open, kritische reflectie zal een structureel en terugkerend element zijn in de periode dat het lectoraat actief is. De openbare bijeenkomsten moeten een cumulatief effect hebben bij het verkrijgen van inzicht in de meerwaarde en aanpak van ontwerpend onderzoek in het algemeen èn het thema gezonde verstedelijking in het bijzonder. De bijeenkomsten, die grofweg elk half jaar gepland staan, volgen het lectoraat dat zich gedurende drie jaar langs verschillende steden/regio’s en dus lokale en regionale opgaven zal verplaatsen. Conform de algemene bedoelingen van het lectoraat is ook het programma in het Nieuwe Instituut opgezet rond twee onderwerpen. De specifieke opgaven die door studenten in de voorafgaande periode zijn uitgewerkt én het specifieke onderzoek naar de inzet en het verbeteren en intensiveren van ontwerpend onderzoek. Vanwege de nog prille status van het lectoraat wordt het programma in hoge mate beheerst door vragen en verwachtingen over de relatie tussen ontwerpend onderzoek en de rol/positie van ontwerper en het onderwijs.

Positie en implementatie

Vrijwel iedereen in de zaal, de sprekers incluis, beaamt de waarde van ontwerpend onderzoek. Daar zit het ‘probleem’ dus niet. Ook heerst er een redelijk brede instemming met de stelling dat het doel van veel ontwerpers niet langer maken en bouwen (an sich) is. De ‘problemen’ ligt veel meer bij de vraag hoe, via welke methodes en tools én wanneer (in een proces) ontwerpend onderzoek ingezet kan worden. Ook wordt besproken of ontwerpend onderzoek zich tot één moment beperkt, of dat het zich op meerdere momenten, in verschillende gedaantes en stadia van uitwerking kan manifesteren. Onderzoek kan bovendien nog veel vaker en intensiever plaatsvinden dan nu het geval is. Onderzoek, analyse en verkenning zijn immers vergelijkbaar waardevolle facetten van het vak van ontwerper. Ontwerpend onderzoek is relatief goedkoop en verdiend zichzelf terug in een latere fase van het beoogde project, doordat het resulteert in een scherpere vraagstelling die leidt tot een efficiëntere ontwerpoplossing en tijdwinst. Die overtuiging en wens om ontwerpend onderzoek een vanzelfsprekende rol in het proces te geven kent echter ook risico’s. Uit de discussie blijkt dat de gedachten en meningen over wat ontwerpend onderzoek nu exact is en hoe en wanneer het ingezet moet worden vooralsnog onbepaald zijn. Het gevaar bestaat dat het ontwerp als verkenning van een mogelijke toekomst wordt verward met het ontwerp als een instant oplossing en dus te snel en zonder voldoende kritische reflectie geïntegreerd wordt in de bestaande praktijk. Het automatisme van ontwerpers om snel te willen gaan ontwerpen met het oog op eindoplossingen moet getemperd worden, omdat een dergelijke snelle en relatief rimpelloze implementatie van ontwerpend onderzoek daarmee vooral een te licht onderdeel van het instrumentarium van een ontwerper wordt. In plaats van antwoorden leidt ontwerpend onderzoek eerder tot een scherpere vraagstelling. Tegen die achtergrond wordt dan ook dringend gepleit voor een geduldige en nauwkeurige verkenningsfase van de mogelijke contouren en plaatsing van dit onderzoek in een toekomstige ontwerppraktijk. Het onderscheiden van de verschillende vormen en doelen van ontwerpend onderzoek is daarin cruciaal. Ten aanzien van de integratie van ontwerpend onderzoek in de praktijk is dus direct als een onevenwichtigheid vast te stellen: enerzijds moet het gestimuleerd en gepropageerd worden, anderzijds moet er zorgvuldig en terughoudend geopereerd worden om weeffouten te voorkomen. Het lectoraat vervult een belangrijke rol bij het begeleiden van deze tweezijdige opgave.

Aansluitend

Een ander fundamenteel punt van aandacht, zo blijkt gedurende de middag, is de aansluiting van onderzoek en het onderwijs bij concrete opgaven en de opdracht gevende overheden. Hoewel deze koppeling als een uitgangspunt van het lectoraat is geformuleerd, is de praktijk iets weerbarstiger of onoverzichtelijker dan gedacht. Dat heeft deels te maken met de positie en het profiel van het vakonderwijs, maar vooral ook met de status en mate van kennis en organisatie van de opdrachtgevers van lokalen en regionale opgaven. Bij deze laatste partij is namelijk niet altijd (meer) voldoende kennis of aandacht beschikbaar om te komen tot een duidelijke formulering van opgaven of het begeleiden en aansturen van ontwerpend onderzoek. Ook kan ontwerpend onderzoek alleen dan vruchtbaar zijn als de opdrachtgever gedurende het gehele proces aanwezig is. Volgens enige aanwezigen is een inhoudelijk goed toegeruste opdrachtgever van essentieel belang voor het uitrollen en welslagen van ontwerpend onderzoek in de toekomstige ontwerp- en opdrachtpraktijk. Dit is een verdere ‘waarschuwing’ dat de implementatie en verweving van ontwerpend onderzoek in de staande praktijk niet te lichtzinnig en als vanzelfsprekend moet worden opgevat. Zelfs niet, zoals in het geval van het lectoraat, wanneer ontwerpend onderzoek gekoppeld wordt aan een algemeen als urgent beschouwde opgave als gezonde verstedelijking. Het stellen van juiste vragen lijkt een goede en logische start voor het vinden van bevredigende antwoorden. Dat lijkt een waarheid als een koe, maar de praktijk loopt nog al eens averij op door verkeerde, verschillende of achterhaalde verwachtingspatronen aan beide zijden van het spectrum; dus zowel bij ontwerpers als opdrachtgevers. Wat deze laatste groep betreft zou er derhalve ook aandacht moeten uitgaan naar het vergroten van kennis en het professionaliseren van die partijen. Een taak die wellicht ook door het lectoraat (in samenwerking met anderen) opgepakt moet worden.

Handelen

Een belangrijk deel van de gevoerde discussie gaat, met verschillende nuances en accenten, over het handelen van de ontwerper. Deze moet zich in de eerste plaats inhouden of intomen door niet automatisch en te direct te werken in de richting van een ontwerp. Het vereist dus zowel voorzichtigheid om niet in bekende patronen te vervallen als ook om gedrevenheid om zich aan diezelfde patronen te ontworstelen. Want zonder dat bestaat het risico dat de exercitie naar het denken en innoveren van ontwerpend onderzoek een academisch gehalte behoudt. Een discours dus dat zich binnen de (veilige) muren van de academies afspeelt zonder urgentie en actualiteit te verwerven. Die kunstmatige, winstille conditie is anderzijds wel weer gunstig voor het eerder genoemde zorgvuldige en terughoudende opereren om weeffouten te voorkomen. Maar die comfortzone moet nadrukkelijk en op termijn verlaten worden, want de ambitie ligt ontegenzeggelijk in het vanzelfsprekend maken van ontwerpend onderzoek op zodanige wijze dat niemand de toepassing van ontwerpend onderzoek (en de noodzaak van gezonde verstedelijking) nog moet uitleggen of toelichten. Ontwerpend onderzoek heeft, volgens de mening van de meeste aanwezigen, werkelijk de potentie om nieuwe opgaven zichtbaar te maken of te formuleren. Het heeft ook de kracht om bestaande opgaven op een nieuwe manier te belichten en aan te pakken. Het is vooral nog wachten op en werken aan een respectabele en overtuigende lijst van best practices die de meerwaarde van ontwerpend onderzoek aantoont en ook de ‘non-believers’ over de streep trekt.

Partijen en opgaven

Voor het welslagen van en de adaptatie van ontwerpend onderzoek en de verdere uitwerking en verdieping van gezonde verstedelijking is het verder essentieel dat de juiste partijen (personen en instanties) aan tafel zitten en daar ook blijven zitten tot het einde van het ingezette proces. Daarnaast is het stellen van juiste vragen een cruciale conditie voor het vinden van juiste antwoorden. Alle aanwezigen in een proces moeten daartoe een open, nieuwsgierige en zoekende houding innemen en wegblijven van bekende verwachtingspatronen en rollen. Op papier klinkt dat een stuk eenvoudiger (en wellicht zelfs ietwat idealistisch) dan de praktijk die op substantiële wijze wordt beïnvloed door veel ruis uit de politiek, het bestuurlijk en ontwerpend verleden en de (menselijke) wens om posities te consolideren. Een belangrijk instrument waarover de ontwerper moet beschikken wanneer een proces op gang is gekomen is voldoende kennis. Het kan daarin ofwel als breekijzer of als smeerolie ingezet worden. Het kunnen beschikken over relevante en ruimtelijk geaggregeerde data is daarin van wezenlijk belang. Bovendien veronderstelt ontwerpend onderzoek een terughoudende grondhouding en een bereidheid om samen ter werken met adviesbureaus en beleidsmanagers van gemeenten. De ontwerpend onderzoeker staat open voor visies en inbreng van andere belanghebbenden in het proces en introduceert een aanvullend, want toekomst gericht, perspectief aan in hun onderzoek dat veelal voortborduurt op bestaande gegevens.. Ontwerpend onderzoek vraagt van de ontwerper veel meer dan het vervullen van de rol van procesmanager. Een brede visie, kundigheid en generalistische interesse moeten gecombineerd worden met een open en toegankelijke opstelling. Alleen zo kan met behulp van de methode van ontwerpend onderzoek (voorheen) geïsoleerde kennis succesvol met elkaar èn met het bestaande vakgebied verbonden worden. Dit synthetisch vermogen van het ontwerp, die potentiele mogelijkheid tot verstrengeling en koppeling van kennis, informatie en partijen, is wellicht de belangrijkste troef van onderzoekend ontwerpen.

beeld